|
Start Omhoog Erkenning Vlaams Gewest Nachtvlinderinventaris
| |
Infofiche Wiestermeersch
-
officieel erkend als natuurreservaat
door het Vlaams Gewest
-
Provincie: Oost-Vlaanderen
-
Oppervlakte eigendom: 3,0630 ha
-
Oppervlakte huur: 2,0190 ha
-
Start project: 1997
-
Vermeld "projectnummer 6102" bij elke gift voor dit natuurgebied
(293-0212075-88). Vanaf € 30 wordt een fiscaal attest afgeleverd.
-
Gemeente: Lebbeke
-
Afdeling: ‘sHeerenbosch
-
Conservator:
Pol
Meert, Duivenkeetstraat 12 te 9280 Lebbeke 052/41.18.85
pol.meert@telenet.be
Wiestermeersch: Werken in het
reservaat
Agenda
Inlichtingen:
Pol Meert
pol.meert@telenet.be 052/41 18 85
OVER HET RESERVAAT
Ligging: gemeente Lebbeke-Wieze
Kaart NGI: 23/5-6 Lebbeke-Merchtem
Den Wiestermeersch is gelegen tussen de Dender en de weg Aalst-Dendermonde, via
Herdersem en Wieze.
In beheer op 31 dec. 2001: 5ha 18a en 20ca.
Een algemene beschrijving van het terrein
‘Den Wiestermeersch’ (zeg maar Wiestermeers) maakt deel uit van het alluvium
van de Dender tussen Aalst en Dendermonde. Het gaat hier om een vaak kilometers
brede vallei langs beide zijden van de rivier. De Dender is over de hele lengte
gekanaliseerd, wat resulteert in talrijke afgesneden oude Denderarmen. De
westelijke percelen grenzen onmiddellijk aan zo’n oude Denderarm. De oostelijke
percelen daarentegen liggen in het valleigebied van de Grote beek, een zijbeek
van de Dender. De beek heeft op zijn beurt een vallei uitgeschuurd, die tegen de
rand van de reservaatspercelen een steilrand vormt (mogelijk ook zeer oude
uitschuring van de Dender zelf, want rand van de vallei). Dat zorgt ervoor dat
de terreinen zeer nat zijn.
foto:Geert
Van Damme
Het gaat om zeer goed ontwikkelde dottergraslanden, waarin Voszegge een
uitschieter vormt. De rest van het valleigebied van de Grote beek is een
afwisseling van dottergraslandjes en elzenbroekbos, vaak ingeplant met
populieren. Deze bossen zijn zeker voormalige dottergraslanden, die omwille van
het natte karakter niet meer bruikbaar zijn voor moderne landbouw en daarom met
populieren zijn ingeplant. In deze bossen wordt massaal Dotterbloem gevonden.
De gronden buiten dit kleine valleitje zijn vaak droger en nog steeds in semi –
intensief landbouwgebruik. Daarbij valt op dat het gebied steeds minder
intensief gebruikt wordt en her en der zijn er tekenen van verwaarlozing (veel
distels in de weilanden, hier en daar spontane opslag). Toch is het gebied
landschappelijk zeer waardevol met erg veel schitterende, zeer intacte rijen
knotwilgen, maar ook knot-els en zelfs knot-eik.
foto
Geert Van Damme
Maar er is meer. In het gebied worden ook enkele boscomplexen (enkele hectaren
groot) gevonden met een zeer waardevolle voorjaarsflora. Gezien hun ligging op
toch zware bodemtexturen kan het massaal voorkomen van Bosanemoon, Slanke
sleutelbloem, Muskuskruid, Veelbloemige salamonszegel, enz. als zeer bijzonder
aangeduid worden. Bovendien mag ook de omvang van het gebied als een meerwaarde
aangeduid worden. Op enkele landelijke woonkernen na (het historische centrum
van Denderbelle en een kleine wijk van Herdersem) is de vallei tussen Aalst en
Dendermonde langs de rechteroever van de Dender nagenoeg onaangetast door
intensief menselijk ingrijpen.
Belangrijk ook is de aanwezigheid van de zeer zeldzame Greppelsprinkhaan, een
Rode Lijstsoort.
Dit alles kan ons doen besluiten dat het hele gebied te taxeren is als van groot
belang omwille van het onaangetaste landschap met grote omvang en omwille van
een aantal zeer waardevolle natuurrelicten in dat landschap. Huidig Algemeen
directeur van het Instituut voor Natuurbehoud Eckhart Kuijken, wees in een
studie van 1984 op het ‘ecologisch en landschappelijk waardevol geheel dat ook
voor de avifauna belangrijk is.’ Bij de verklarende tekst kaartbladen 23 van de
Belgische Waarderingskaart (uitgave jaar 2000) geeft de auteur de Wiestermeers
het predikaat ‘biologisch en landschappelijk zeer waardevol’.
In dat verband is het van groot belang te weten dat er nog steeds acute plannen
bestaan om de N41 Sint Niklaas – Aalst (Nederland – Duinkerken?) een nieuw tracé
te geven tussen Lebbeke en Gijzegem. Daarbij zou de vallei in twee gesneden
worden. Dit moet ten allen prijze vermeden worden.
Bespreking van de flora
foto
Geert Van DammeHet oostelijke deel wordt bepaald door schitterende dottergraslanden of door
tot populierenbos met elzenbroek omgezette dottergraslanden. De hoeveelheid
Dotterbloem is plaatselijk spectaculair en overal aanwezig. Daarnaast zijn zowat
alle indicatorsoorten van zeer goed ontwikkelde dottergraslanden, op Brede
orchis na, aanwezig. Tweerijige zegge, Blaaszegge, Moeraswalstro, Veldlathyrus,
Moerasrolklaver, Echte koekoeksbloem, Wolfspoot, Penningkruid,
Moerasvergeet-me-nietje, Egelsboterbloem en Moerasmuur : allen tonen zich in de
juiste verhoudingen. De zeldzame Voszegge maakt het lijstje alleen
indrukwekkender.
Dotterbloem
foto Geert Van Damme (klik voor vergroting)
Op plaatsen die, als gevolg van een minder intensief beheer, licht verruigen,
wordt onmiddellijk een vrij volledig spectrum van het spireagrasland gevonden.
De klassieke soorten met Moerasspirea, Echte valeriaan, Leverkruid en Gewone
berenklauw worden aangevuld met een voor de streek zeker niet algemene Wilde
bertram.
Insectenrijkdom
op Moerasspirea. In totaal werden meer dan 60 insectensoorten op deze plant
waargenomen, enkele zijn volledig afhankelijk van de plant voor hun voortbestaan
* - tekening Gerald Driessens (uit Hermy, Natuurbeheer) -klik voor vergroting
Opvallend is ook de rijkdom aan begeleidende struiken. Een paar opvallende
soorten zijn Hondsroos, Eénstijlige meidoorn en Kardinaalsmuts, maar ook
soorten, die kenmerkend zijn voor armere bodems als Vuilboom en Wilde
lijsterbes.
Dan zijn er de verbossende delen. Zoals gezegd gaat het om elzenbroekbos op
voormalig dotterhooiland, soms begeleid door aanplantingen van populier. Vooral
de rijkdom aan Dotterbloem is spectaculair. In deze bossen worden ook mooie
populaties van Speenkruid en Bosanemoon aangetroffen. Bosanemoon is hier echter
niet te begrijpen als oud – bossoort, maar kwam zeker voor in de graslanden, wat
dan weer een indicatie is voor zeer oude permanente graslanden. Tevens worden
een aantal soorten gevonden, die wijzen op vrij mesotrofe omstandigheden. Het
betreft de algemene soorten Gele lis, Grote wederik, Bitterzoet, maar ook het
veel zeldzamere Blauw glidkruid. In hetzelfde gebied ligt een bosperceel van
enkele hectaren groot en van oudere leeftijd. Hier zien we mooi welke evolutie
te verwachten is. We merken hier een zeer goed ontwikkeld elzenbroek met een erg
goed ontwikkelde voorjaarsflora en met een aantal indicatoren voor het
Elzenzegge – elzenbroek, zonder dat deze aspectbepalend worden. He gaat dan om
de reeds vermelde soorten, aangevuld met Ijle zegge. Daarnaast komt er Boszegge
voor. We zitten hier dus duidelijk met een overgangsvorm van eutrofe naar
mesofiele bossen.
Niet onbelangrijk in dit verband is het voorkomen van wellicht horizontaal
bewegende kwel, die wellicht behoorlijk mineraalrijk (andere dan stikstof en
fosfaat) bevatten. Het voorkomen van Waterviolier is hier een duidelijke
indicator van. Naast de genoemde soorten worden nog wel enkele soorten gevonden,
die het vermelden waard zijn. Zo zijn er nog Stijve zegge, Bloedzuring en
Kraailook. foto
Geert Van Damme
Helemaal anders van karakter zijn de graslanden tegen de oude Denderarm. Deze
zijn tot voor kort in normaal (semi – intensief tot intensief) landbouwgebruik
geweest en de vegetatie ervan stelt niet erg veel voor. Gewone grassoorten, vrij
veel Akkerdistel en weinig interessante kruiden maken de dienst uit. Wel vallen
opnieuw de knotrijen en de haagkanten op met Hondsroos, Olm en Sleedoorn. Tevens
staan er een tweetal Zomereiken in het grasland. Op termijn wordt hier naar een
meer natuurlijke situatie gestreefd.
Wel zeer mooi is de aanliggende Oude Denderarm, met heel wat Grof hoornblad,
Gewoon sterrekroos, Slanke waterranonkel, maar vooral Kikkerbeet, een voor de
streek zeer zeldzame soort, die wijst op een mesotrofe waterkwaliteit. In de
oeverzone vindt men dan ook veel Grote waterweegbree, Wolfspoot,
Moerasvergeet-me-nietje, enz. Eveneens zeer opvallend en van grote waarde is het
voorkomen van alle tandzaden in deze zone. We kunnen hier spreken van een goed
ontwikkelde associatie van Waterpeper en Tandzaad. Hoewel niet zo zeldzaam in
Nederland is een dergelijke gemeenschap in Vlaanderen met alle tandzaden zeker
niet zo algemeen. Bovendien kan deze gemeenschap zich handhaven in beweide
gebieden, een optie die hier wordt weerhouden.
Bespreking van de fauna
Faunistische inventarisaties zijn zeer beperkt. Op wat losse
vogelwaarnemingen (broedgevallen van Buizerd, Torenvalk, Bosrietzanger en
Ransuil) na moeten we het stellen met één inventaris van de sprinkhanen en één
van de dagvlinders, die beiden echter wel uitgevoerd zijn door een kenner en
daarom als correct en volledig kunnen worden beschouwd.
De lijst van sprinkhanen is niet erg lang met slechts zeven soorten. Zes van de
zeven soorten zijn gewone soorten, maar met de Greppelsprinkhaan hebben we te
maken met een Rode lijstsoort (Kwetsbaar). De soort kan als indicatief voor het
min of meer verwaarloosde en natte gebied beschouwd worden. Een blik op de
verspreidingskaart van Vlaanderen toont slechts erg weinig populaties voor
Oost-Vlaanderen, op enkele na tegen de Nederlandse grens en de waarneming van
deze soort kan naar Oost-Vlaamse normen zeer bijzonder genoemd worden. Om
verstoring te voorkomen wordt het perceel, waar de Greppelsprinkhaan het meest
aanwezig is, zo weinig mogelijk betreden en bezoekers worden er omgeleid.
Voor wat betreft de vlinders worden enkel eerder gewone soorten gevonden. Toch
zijn er een aantal soorten met een vrij hoge indicatieve waarde aanwezig. Daar
is vanzelfsprekend de Oranjetip bij, maar interessanter is het voorkomen van
meerdere soorten, die het moeten hebben van min of meer schrale graslanden. Het
gaat daarbij om Kleine vuurvlinder, Hooibeestje, Icarusblauwtje, Argusvlinder en
Geelsprietdikkopje. Vooral de eerste drie soorten worden door Hans Van Dijck
beschouwd als indicatief voor schrale tot zeer schrale graslanden.
Voor de zoogdieren zijn er ook geen bijzondere soorten op. Wel opvallend is het
voorkomen van Vos. foto
Geert Van Damme
Het uitwerken van een natuureducatief en zacht–recreatief netwerk
In samenwerking met de gemeente Lebbeke is de Dendervallei aangeduid als het
gebied bij uitstek, waar kan gewerkt worden rond natuureducatieve
doelstellingen. Op dit ogenblik bestaat er reeds een volledig uitgewerkt
natuurpad, voorzien van infrastructuur (rustbanken) en een brochure met
aandachtspunten. Bovendien zijn een aantal educatieve pakketten uitgewerkt voor
scholen. Er zijn diverse kanalen langs waar geleide natuurwandelingen kunnen
aangevraagd worden. Dit is een zeer goed draaiend systeem, waarbij de overlast
voor het gebied tot een minimum beperkt is en waarbij de zichtbare impact
nagenoeg nihil is. Zo is er gekozen voor onopvallende, genummerde paaltjes, die
verwijzen naar het educatieve pakket. Dus geen grote infoborden.
Bij de verdere ontwikkeling van het reservaat willen we dit netwerk blijven
uitbouwen en ook naar andere doelgroepen toe werken.
foto
Geert Van Damme
Pol Meert/Jan Van den Berghe
Contacten: Pol Meert, Duivenkeetstraat 12, 9280 Lebbeke tel. 052/41 18 85
E-mail: pol.meert@telenet.be
|