|
|
|
Eigendom en identiteitEeuwenlang was het bos privé-bezit van adellijke families. Na de eerste wereldoorlog werd een Hollandse houthandelaar eigenaar van het nog resterende bos en die verkocht 142 ha 33 a 40 ca aan de Belgische staat op 5mei 1936. In 1937 werden aanpalende percelen gekocht door de Belgische staat, 5ha 49a 23ca van de Middenkredietkas van de boerenbond en 63a 02ca van de bosgrond gelegen naast de boskapel komt ook in het bezit van de staat. Verder gebeuren in de daaropvolgende jaren nog aankopen zodat de huidige oppervlakte 155ha 88a bedraagt (1995). Het beheer wordt uitgevoerd door de Afdeling Bos en Groen van het departement leefmilieu en infrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu, Natuur en Landinrichting (AMINAL).
Administratieve en geografische situeringBuggenhoutbos is gelegen in de provincie Oost-vlaanderen op het grondgebied van de gemeente Buggenhout (sectie B en C). Het wordt in twee blokken verdeeld door de steenweg Buggenhout-Merchtem en ligt op zo'n 2 kilometer van de dorpskom verwijderd. Het situatieplan geeft de ligging weer van het domeinbos ten opzichte van de omgeving. Administratief behoort het tot het arrondissement Dendermonde, geschillen worden door de rechtbank van Dendermonde beslecht en zowel rijkswacht als politie zijn gevestigd in Buggenhout zelf. Na de politiehervorming valt het bos binnen de politiezone Lebbeke- Buggenhout. Bestemming volgens het gewestplanVolgens het gewestplan van Dendermonde (kaart 23/6 en 23/2) wordt het bos ingedeeld in N en R gebieden en een stuk valt in agrarisch gebied. N: natuurgebied R: natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat De aanpalende gronden hebben als bestemming: landbouw, woonzone, parkgebied, gebieden voor ambachtelijke bedrijven of gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Er grenst ook een gebied voor dagrecreatie en één voor verblijfsrecreatie aan. ErfdienstbaarhedenToen het bos in 1936 gekocht werd, werden eveneens alle eventuele rechten van derden overgenomen zoals vermeld staat in de aankoopakte. Zo wordt de Branddreef aangeduid als losweg naar de steenweg en mag daarom niet door de aanpalende eigenaars worden afgesloten. Ook bij alle verdere aankopen werden de erfdienstbaarheden mee overgekocht en vermeld in de verschillende aankoopaktes. Erfdienstbaarheden die vermeld worden bij de ruilverkaveling van Malderen in 1976 zijn:
Wat betreft de wegen in het bos kan vermeld worden:
Historiek van BuggenhoutbosHet Buggenhoutbos strekte zich voor het jaar 1000
uit in alle richtingen rond het huidige grondgebied Buggenhout. Uitlopers ervan
reikten waarschijnlijk tot aan de Schelde. Volgens Verbesselt (1969) moet het
echter als een afzonderlijke entiteit beschouwd worden, los van het uitgestrekte
Kolenwoud waarvan het Zoniënbos een overblijfsel is.
Vermoedelijk gebeurden in de eerste helft van de
11e eeuw de eerste ontginningen om plaats te maken voor bewoning. De oudste
geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam ‘Buckenholt’ dateert
echter pas van 1125. Deze datum werd teruggevonden in een schenkingsakte van de
Graven van Aarschot ten voordele van de abdij van Affligem.
Hierin wordt
bevestigd dat de helft van ‘Buckenholt’bos, de helft van ‘Emelo’bos, heel het
‘Schrieck’bos en alle land, water en weiden die in het bezit waren van de Graven
aan de abdij gegeven werden. De andere helft van Buggenhoutbos bleef in het
bezit van de Heren van Grimbergen, de Berthouts. In 1266 geeft Philip van Vianden, heer van Grimbergen , een groot deel van zijn eigendommen in Buggenhout in leen aan Hendrik van Grimbergen. De bossen behorende tot het leen werden “‘s Heerenbosch” genoemd. Zij bleven intact tot 1777 wanneer het Huis van Grimbergen het leen terugkocht. Gedurende die periode konden enkel de andere bossen in Buggenhout gerooid worden door de plaatselijke bevolking. Vanaf 1779 werden ook delen van het vroegere ‘s Heerenbosch vervreemd en gerooid. Waar in 1573 de oppervlakte aaneengesloten bos nog zo'n 1000 hectare bedroeg, restte er in 1846 nog slechts 562 hectare en in 1887 nog 400 hectare. De bijgaande kaartjes geven een idee van de wijzigingen die in de loop van de tijd zijn opgetreden in de oppervlakte van het Buggenhoutbos. Door de eeuwen heen had de gemeenschap weinig aan ‘s Heerenbosch. Het verschaftte werkgelegenheid voor enkele boswachters en bosarbeiders maar was niet toegankelijk en sloot Buggenhout af van de rest van Brabant. Hierin kwam in 1852 verandering toen het doorgangsrecht langs de hoofddreef voor alle burgers van Buggenhout werd afgekocht van de eigenaar. Het bos werd op die manier voor het eerst ontsloten, zodat er een rechtstreekse verbinding ontstond tussen Buggenhout en het Brabantse. In 1899 komt het bos in het bezit van Hertog Levis
de Mirepoix en de San Fernando Luis, die het erft van de familie de Mérode. Het
bleef zo'n 400 hectare groot tot aan de eerste wereldoorlog. Gedurende de
oorlogsjaren werd 250 hectare van Buggenhoutbos vernield door de Duitse bezetter
om zich te voorzien van werkhout en houtskool. De gerooide oppervlakte werd
nadien ingenomen door landbouw en behuizing en ging zo verloren voor het bos. Bij aankoop was de groei van het bos laag door een
overvloedige groei van het gras Molinea en een slechte waterhuishouding. De
zwaarste eiken waren van slechte kwaliteit. Ze vertoonden vele waterscheuten,
vriesbarsten en half verdorde kruinen. Ondertussen bedraagt de oppervlakte 155ha
88a en is het volume op stam gestegen van 91 m³ naar 350-400m³/ha.
De jacht werd vroeger door de staat verpacht en maakte dat het bos enkel toegankelijk was op de hoofdwegen. Hierin kwam verandering wanneer de gemeentelijke overheid in 1963 het jachtrecht pachtte en het bos openstelde voor het publiek. In 1972 besliste de staat om de jacht niet meer te verpachten zodat het bos op alle paadjes en het hele jaar door open kon gesteld worden voor het publiek. Hierdoor werd de recreatieve functie verder uitgebouwd waar de bevolking gretig gebruik van maakte, daar Buggenhoutbos één van de weinige bossen is in de omgeving. Kenmerken van het vroegere beheerEr werd door de vroegere beheerders geen rekening gehouden met de jaarlijkse opbrengsten in het bos. Het regiem was dit van een ijlhooghout van beuk en eik met onderhout van kastanje of els. De kappingen gebeurden naar keuze van de houtvester en de boswachter en volgens kaprijpheid van de bomen. Als reactie op de aankoop van Buggenhoutbos door
de houthandelaar Mr. Clercx wordt op 4 mei 1923 door de Belgische staat een
vetobesluit in uitvoering van de grendelwet in voege gebracht. Dit besluit
verbood alle vellingen die per hectare meer dan de helft van het houtvolume
wegnamen. Er moest ook 78m³/ha blijven staan. Alle vellingen dienden bovendien
te gebeuren in overeenstemming met het Staatsbosbeheer. Deze maatregel werd
genomen ter bescherming van het bos tegen overdreven kappingen.
Na de aankoop door de Belgische staat in 1936
bestonden de eerste werken uit zuiveringskappen, aanplantingen van voornamelijk
eik, zorgen voor een goede afwatering en verbeteren van de bosstructuur. Het bos werd ingedeeld in 12 kappen met een
omloopstijd van 12 jaar, zodat elk jaar één kap werd doorlopen. Het beheer was erop gericht het eikenhooghout te bevorderen en een verjonging te hebben van het bos uit eigen zaad. Hiervoor werden grondbewerkingen uitgevoerd na een goed zaadjaar, zodat op die plaatsen een soort van kwekerij voorhanden was die de boompjes leverde om uitgeplant te worden. De voorkeur voor eik blijkt duidelijk uit een verslag van de commissie voor de bedrijfsvoering (1947). Hierin wordt aangegeven dat eikenzaailingen of eikentelgen die overheerst worden door beuken of andere ‘minderwaardige’ boomsoorten moeten vrijgesteld worden. Doch er wordt ook vermeld dat op plaatsen waar de beuk thuishoort geen negatieve discriminatie van de beuk doorgevoerd mag worden, op voorwaarde dat hij het eikenhooghout in de aanpalende percelen niet verdrukt of bedreigt. Om het
woekeren van bodemvegetatie tegen te gaan, te zorgen voor een bodemverbetering
en om een betere natuurlijke stamreiniging te bekomen, werden culturele
soorten: AE, els en esdoorn ingeplant onder de eikentelgen. Daar waar de eiken
te dun stonden werden lorken ingeplant. Op die manier werd er sneller een
volledig hooghoutbos verkregen en verkreeg men een opbrengstvermeerdering. Ook
werd en wordt nog steeds met struiken gewerkt (Haagbeuk, Hazelaar, ...). Algemene beschrijvingBeschrijving van de standplaatsReliëf en hydrografieHet topografisch oppervlak helt zwak af naar het
noorden met een hellingsprocent van 0.73. Het hoogste punt (24m) ligt in het
zuidwesten en het laagste (13m) in het noorden. Het westelijke deel is nagenoeg
vlak met een matig uitgesproken microreliëf met niveauverschillen van 0.5 tot 1m.
In de omgeving van de Hollebeek; de konijnenberg is het reliëf duidelijk meer
uitgesproken. BodemHet Buggenhoutbos ligt in het overgangsgebied tussen de Zandstreek en de Leemstreek, alle gronden zijn goede gronden voor eik, beuk en de voornaamste andere boomsoorten. De tertiaire afzettingen, die de ondergrond vormen, bestaan uit groengrijze zware klei of klei van Asse uit het Bartoon. De quartaire sedimenten, afgezet tijdens de ijstijden, bedekken over de gehele oppervlakte de tertiaire lagen. Ze bestaan uit zandig tot zandlemig materiaal, waarvan de dikte schommelt tussen 1.50m en 4.50m. Het zijn dus voornamelijk deze quartaire afzettingen die van rechtstreeks belang zijn voor de bodemgesteldheid in het bos. Naarmate het topografisch oppervlak stijgt worden deze sedimenten lemiger. Zeer kenmerkend is het grillige verloop van niveo-fluviatiele laagjes met wisselende dikte (van 1 tot 50 cm), die overal in de ondergrond voorkomen en waarvan de textuur varieert van licht zandleem tot zand. De bodem in Buggenhoutbos kan opgedeeld worden aan de hand van het textuursymbool, wat resulteert in twee klassen: zandleemgronden (L) voornamelijk in het zuiden en licht-zandleemgronden (P) in het noorden.
Al de gronden zijn volledig ontkalkt, de heersende
pH schommelt rond de vier voor de bovenste horizonten en neemt veelal toe met de
diepte.
Verklarende noot gvd: "Gley" is het grijze gedeelte van de bovenstaande tekening. Ze is dus het deel van de grond dat verzadigd is met water dat niet weg kan. Gleyverschijnselen zijn verschijnselen in bodems waarvan de vorming samenhangt met periodieke waterverzadiging Ook aan de hand van de
profielontwikkeling kan een onderverdeling gemaakt worden. Zo worden volgende
gronden onderscheiden:
Deze B-horizont ontstaat door de migratie van kleimineralen vanuit de oppervlaktelaag (de A-horizonten) naar het onderliggend materiaal waar ze een klei-aanreikingshorizont vormen. Over bijna heel Buggenhoutbos werd deze horizont gedegradeerd door afbraak van de kleimineralen. Hij vertoont talrijke bleke, zandige vlekken en strepen, geaccentueerd door een roodbruine rand van enkele mm aangerijkt met ijzeroxiden en heeft dus een verbrokkeld uitzicht. Kenmerkende horizonten voor een dergelijke profielontwikkeling zijn:
Wanneer de degradatie zich verder doorzet ontstaat
de prepodzol (c(h)), de ijzeroxiden hebben zich dan geconcentreerd in koncreties. De twee meest voorkomende bodemtypes zijn Lhcz en
Ldczo, dit zijn goede gronden voor eik, beuk en de voornaamste andere
boomsoorten. De drainage is onvoldoende tot slecht en in bijna het ganse bos
wordt een textuur B-horizont aangetroffen. Beschrijving van het biologisch milieuFloraFytosociologisch behoort het bos tot het Fago-Quercetum convallarietosum (Rogister, Noirfalise) het droog Wintereiken - beukenbos. Delen van het bos kunnen echter ook eigenschappen vertonen van het atlantische eikenmengbos, het Endymio - carpinetum holcetosum. Dit is het minst vruchtbare type van de Endymio - carpinetum gezelschappen en is gevestigd op zandige leemgronden met zandig materiaal in de ondergrond. Het komt dikwijls in aanraking met het Beuken - eikenbos. Typische kenmerken van het F. Q. convallarietosum zijn:
Deze laatste drie soorten zijn indicatoren voor
oude bossen. Onder de eikenbestanden is de kruidlaag goed
ontwikkeld en bestaat voornamelijk uit acidofiele soorten. In de beukenbestanden
daarentegen is de ontwikkeling van de kruidlaag slecht of zelfs nihil. Op de
meest vruchtbare gronden en langs de bosbeken groeit algemeen: Bosbraam (Rubus
fruticosus), klimop (Hedera helix), Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Gele
dovenetel (Galeobdolon luteum), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Daslook (Allium
ursinum) en Veelbloemige salomonszegel (Poligonatum multiflorum). Op de grens
tussen de drogere en de vochtigere delen staat Bosanemoon (Anemone numerosa) en
Valse salie (Teucrium scorodonia). De drogere delen worden gekenmerkt door
Lelietje van dalen (Convallaria majalis) en Dalkruid (Maianthemum bifolium).
Tabel 1: de voorkomende planten rond de Eendeput
FaunaDe fauna van Buggenhoutbos is vrij uitgebreid.
Zoogdieren die algemeen aangetroffen worden zijn het eekhoorntje, de egel, de
haas, het konijn, enkele muizensoorten en de muskusrat aan de Eendeput. Ook de
bunzing wordt waargenomen. Sinds 1994 is ook de Vos aanwezig in Buggenhoutbos. Gustaaf Van Gucht, technicus afdeling Bos en Groen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website
verzenden aan
geert.vandamme@meerskant.org.
|