meer Buggenhoutbos
Start | Omhoog | Inhoud | Zoeken | Lid worden | Steunen | bestuur

Start
Omhoog

 

             
          
       


Eigendom en identiteit

Eeuwenlang was het bos privé-bezit van adellijke families. Na de eerste wereldoorlog werd een Hollandse houthandelaar eigenaar van het nog resterende bos en die verkocht 142 ha 33 a 40 ca aan de Belgische staat op 5mei 1936. In 1937 werden aanpalende percelen gekocht door de Belgische staat, 5ha 49a 23ca van de Middenkredietkas van de boerenbond en 63a 02ca van de bosgrond gelegen naast de boskapel komt ook in het bezit van de staat. Verder gebeuren in de daaropvolgende jaren nog aankopen zodat de huidige oppervlakte 155ha 88a bedraagt (1995).

Het beheer wordt uitgevoerd door de Afdeling Bos en Groen van het departement leefmilieu en infrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Milieu, Natuur en Landinrichting (AMINAL).

Wandelgebied Buggenhoutbos - foto Gustaaf Van Gucht


Administratieve en geografische situering

Buggenhoutbos is gelegen in de provincie Oost-vlaanderen op het grondgebied van de gemeente Buggenhout (sectie B en C). Het wordt in twee blokken verdeeld door de steenweg Buggenhout-Merchtem en ligt op zo'n 2 kilometer van de dorpskom verwijderd. Het situatieplan geeft de ligging weer van het domeinbos ten opzichte van de omgeving.

Administratief behoort het tot het arrondissement Dendermonde, geschillen worden door de rechtbank van Dendermonde beslecht en zowel rijkswacht als politie zijn gevestigd in Buggenhout zelf. Na de politiehervorming valt het bos binnen de politiezone Lebbeke- Buggenhout.


Bestemming volgens het gewestplan

Volgens het gewestplan van Dendermonde (kaart 23/6 en 23/2) wordt het bos ingedeeld in N en R gebieden en een stuk valt in agrarisch gebied.

            N: natuurgebied

            R: natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat

De aanpalende gronden hebben als bestemming: landbouw, woonzone, parkgebied, gebieden voor ambachtelijke bedrijven of gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Er grenst ook een gebied voor dagrecreatie en één voor verblijfsrecreatie aan.


Erfdienstbaarheden

Toen het bos in 1936 gekocht werd, werden eveneens alle eventuele rechten van derden overgenomen zoals vermeld staat in de aankoopakte. Zo wordt de Branddreef aangeduid als losweg naar de steenweg en mag daarom niet door de aanpalende eigenaars worden afgesloten.

Ook bij alle verdere aankopen werden de erfdienstbaarheden mee overgekocht en vermeld in de verschillende aankoopaktes.

Erfdienstbaarheden die vermeld worden bij de ruilverkaveling van Malderen in 1976 zijn:

  • het perceel te Buggenhout, 1e afdeling, sectieB nummer 509d is belast met erfdienstbaarheid van dooorgang ten voordele van de percelen sectie B nummer 509e, 495g³ en 505y over een breedte van 4 meter langs de perimeter van het ruilverkavelingsblok (Buggenhoutbos),

  • het perceel sectie B nummer 495g³ heeft het recht van doorgang over de percelen sectie B nummer 509d en 509e over een breedte van 4 meter te nemen langs de perimeter van het ruilverkavelingsblok (Buggenhoutbos),

  • het perceel 495g³ is belast met erfdienstbaarheid van doorgang ten voordele van het  perceel sectie B nummer 505y langs de perimeter van het ruilverkavelingsblok en langs de waterloop langsheen de percelen sectie B nummer 495g³ en 505a² over een breedte van 4 meter.

Wat betreft de wegen in het bos kan vermeld worden:

  • de Kasteelstraat is een publieke weg, ze wordt vermeld op de kaart van de buurtwegen van de gemeente Buggenhout

  • alle wegen in het bos gelegen zijn eigendom van het Vlaamse Gewest
  • het stuk Eikendreef tussen het bos en de Kasteelstraat is eigendom van de aanpalende privé eigenaar
  • Het verdere deel van de Eikendreef is voor de helft eigendom van het Vlaamse Gewest en voor de helft van de aanpalende eigenaar langs de andere kant
  • Wat betreft de waterlopen is enkel de Hollebeek categorie 3, wat betekent dat de gemeente instaat voor het onderhoud.
  • De verbindingsweg tussen het bos en de Kalkenstraat werd vrij van gebruik aangekocht door de staat om een uitweg te creëren uit het bos naar de Kalkenstraat.
  • De gracht die de grens vormt tussen de percelen 509E, 509D, 495S³ en het oudere domeinbos is eigendom van de gemeente.

Historiek van Buggenhoutbos

Het Buggenhoutbos strekte zich voor het jaar 1000 uit in alle richtingen rond het huidige grondgebied Buggenhout. Uitlopers ervan reikten waarschijnlijk tot aan de Schelde. Volgens Verbesselt (1969) moet het echter als een afzonderlijke entiteit beschouwd worden, los van het uitgestrekte Kolenwoud waarvan het Zoniënbos een overblijfsel is.
De etymologie van de latere plaatsnaam ‘Buckenholt’ verraadt het voorkomen van voornamelijk beuk in de streek: bokina = Germaans voor beuken, hulta = Germaans voor bos.  Toch moeten er in de 16e eeuw ook heel wat eiken gestaan hebben omdat er sprake is van het kappen van enkele duizenden eiken voor de uitbouw van de stad Antwerpen (1540-1555).

Beukenbestand foto Gustaaf Van Gucht

 

 

 

 

Vermoedelijk gebeurden in de eerste helft van de 11e eeuw de eerste ontginningen om plaats te maken voor bewoning. De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam ‘Buckenholt’  dateert echter pas van 1125. Deze datum werd teruggevonden in een schenkingsakte van de Graven van Aarschot ten voordele van de abdij van Affligem. Abdij van Affligem

Hierin wordt bevestigd dat de helft van ‘Buckenholt’bos, de helft van ‘Emelo’bos, heel het ‘Schrieck’bos en alle land, water en weiden die in het bezit waren van de Graven aan de abdij gegeven werden. De andere helft van Buggenhoutbos bleef in het bezit van de Heren van Grimbergen, de Berthouts.
De abdij richtte al snel een groot ontginningsbedrijf, een ‘curtis’, op in Buggenhout met vestiging van eigen monniken en een eigen kapel (1129). Dit ging gepaard met belangrijke ontbossingen. Plaatsnamen zoals: Baasrode, Westrode, Nieuwenrode... wijzen op deze ontginningen Hiermee steunde de abdij de hertogelijke politiek om via grote ontginningsbedrijven omvangrijke onontgonnen gebieden in het hertogdom Brabant te ontsluiten en zo de macht van de hertog te vergroten.

In 1266 geeft Philip van Vianden, heer van Grimbergen , een groot deel van zijn eigendommen in Buggenhout in leen aan Hendrik van Grimbergen. De bossen behorende tot het leen werden “‘s Heerenbosch” genoemd. Zij bleven intact tot 1777 wanneer het Huis van Grimbergen het leen terugkocht. Gedurende die periode konden enkel de andere bossen in Buggenhout gerooid worden door de plaatselijke bevolking. Vanaf 1779 werden ook delen van het vroegere ‘s Heerenbosch vervreemd en gerooid. Waar in 1573 de oppervlakte aaneengesloten bos nog zo'n 1000 hectare bedroeg, restte er in 1846 nog slechts 562 hectare en in 1887 nog 400 hectare. De bijgaande kaartjes geven een idee van de wijzigingen die in de loop van de tijd zijn opgetreden in de oppervlakte van het Buggenhoutbos.

Door de eeuwen heen had de gemeenschap weinig aan ‘s Heerenbosch. Het verschaftte  werkgelegenheid voor enkele boswachters en bosarbeiders maar was niet toegankelijk en sloot Buggenhout af van de rest van Brabant. Hierin kwam in 1852 verandering toen het doorgangsrecht langs de hoofddreef voor alle burgers van Buggenhout werd afgekocht van de eigenaar. Het bos werd op die manier voor het eerst ontsloten, zodat er een rechtstreekse verbinding ontstond tussen Buggenhout en het Brabantse.

In 1899 komt het bos in het bezit van Hertog Levis de Mirepoix en de San Fernando Luis, die het erft van de familie de Mérode. Het bleef zo'n 400 hectare groot tot aan de eerste wereldoorlog. Gedurende de oorlogsjaren werd 250 hectare van Buggenhoutbos vernield door de Duitse bezetter om zich te voorzien van werkhout en houtskool. De gerooide oppervlakte werd nadien ingenomen door landbouw en behuizing en ging zo verloren voor het bos.
De eigenaar, Hertog Levis de Mirepoix, verkoopt in 1921 ‘s Heerenbosch. Het gerooide stuk gaat naar de Boerenbond om ontgonnen te worden door haar dochteronderneming (de Heidemaatschappij), enkele kleine percelen gaan naar particulieren en het bewaard gebleven bos wordt verkocht aan de houthandelaar Mr. Clercx uit Nederland. Het vroegere ‘s Heerenbosch wordt op die manier volledig versnipperd en hier en daar bebouwd. Wanneer in 1936 het bos openbaar verkocht wordt neemt deze versnippering nog toe, daar opnieuw particulieren een graantje kunnen meepikken. Het grootste gedeelte van het bos, 142ha 33a 40ca, werd echter aangekocht door de Belgische Staat en zo gevrijwaard van verdere vernieling. In 1937 worden nog kleine percelen opgekocht wat de totale aangekochte oppervlakte op 148ha 45a 65ca brengt.
Eind 1940-1941 werden de harsachtige bestanden kaalgekapt omdat ze verwoest waren. De fijnsparren omdat het bezettingsleger de bestanden geplunderd had, de lorken en dennen omdat er veel in gestolen was. Deze bestanden werden echter reeds in 1941-42-43 herplant met lorken en douglassen.

Bij aankoop was de groei van het bos laag door een overvloedige groei van het gras Molinea en een slechte waterhuishouding. De zwaarste eiken waren van slechte kwaliteit. Ze vertoonden vele waterscheuten, vriesbarsten en half verdorde kruinen. Ondertussen bedraagt de oppervlakte 155ha 88a en is het volume op stam gestegen van 91 m³ naar 350-400m³/ha.
Hiervan nemen de Wintereik en de Beuk het grootste deel voor hun rekening.
Het huidige domeinbos valt onder het bestuur van AMINAL van de Vlaamse gemeenschap afdeling Bos en Groen,  houtvesterij Gent, boswachterij Buggenhout.

Dag van de Aarde 1998 foto Gustaaf Van Gucht

De jacht werd vroeger door de staat verpacht en maakte dat het bos enkel toegankelijk was op de hoofdwegen. Hierin kwam verandering wanneer de gemeentelijke overheid in 1963 het jachtrecht pachtte en het bos openstelde voor het publiek. In 1972 besliste de staat om de jacht niet meer te verpachten zodat het bos op alle paadjes en het hele jaar door open kon gesteld worden voor het publiek. Hierdoor werd de recreatieve functie verder uitgebouwd waar de bevolking gretig gebruik van maakte, daar Buggenhoutbos één van de weinige bossen is in de omgeving.


Kenmerken van het vroegere beheer

Er werd door de vroegere beheerders geen rekening gehouden met de jaarlijkse opbrengsten in het bos. Het regiem was dit van een ijlhooghout van beuk en eik met onderhout van kastanje of els. De kappingen gebeurden naar keuze van de houtvester en de boswachter en volgens kaprijpheid van de bomen.

Als reactie op de aankoop van Buggenhoutbos door de houthandelaar Mr. Clercx wordt op 4 mei 1923 door de Belgische staat een vetobesluit in uitvoering van de grendelwet in voege gebracht. Dit besluit verbood alle vellingen die per hectare meer dan de helft van het houtvolume wegnamen. Er moest ook 78m³/ha blijven staan. Alle vellingen dienden bovendien te gebeuren in overeenstemming met het Staatsbosbeheer. Deze maatregel werd genomen ter bescherming van het bos tegen overdreven kappingen.
Van de 24000m³ hout (232 bomen/ha) die het bos rijk was na de aankoop door Mr. Clercx werd in de loop van 10 jaar 13242m³ gekapt, waarvan 9020m³ eiken en 4150m³ beuk. Of ongeveer 2 eiken voor elke beuk.
In 1929 voerde Mr. Clercx een inventaris uit van zijn bos, waaruit bleek dat er 18621 eiken (9425m³), 7177 beuken (5467m³) en 300 es, berk, larix en abeel (110m³) aanwezig waren.

Larix klik voor vergroting
Mr. Clercx verplichtte zich ertoe na elke kapping terug op te planten om bij te dragen tot het bosbehoud. Hierbij gebruikte hij Beuk, Wintereik (WE), Zomereik (ZE), Canada-populier, olmen, Douglas (Do), Fijnspar (Ep), Japanse lork (jL) en Tamme kastanje (tK).

Na de aankoop door de Belgische staat in 1936 bestonden de eerste werken uit zuiveringskappen, aanplantingen van voornamelijk eik, zorgen voor een goede afwatering en verbeteren van de bosstructuur.
De uiteindelijke doelstelling was een groepsgewijs gemengd hooghout te creëren met groepen eiken en beuken van verschillende ouderdom. Deze groepen zouden zich natuurlijk moeten verjongen. De mengingsvorm sloot echter niet uit dat onderplantingen of bezaaiingen van haagbeuk en beuk zouden gebeuren in de groepen eik. Deze moesten dienen om de natuurlijke stamreiniging van de eiken te bevorderen.

Het bos werd ingedeeld in 12 kappen met een omloopstijd van 12 jaar, zodat elk jaar één kap werd doorlopen.
De mogelijkheid werd voorzien om na een halve of kwart omloop terug eenzelfde kap te doorlopen. De grenzen van de kappen komen niet overeen met de huidige bestanden.
De rooiing van de kaprijpe bomen (eik: tot 300 jaar, beuk: 150-180 jaar) gebeurde groepsgewijs over een oppervlakte van 0.5 ha. Na de kapping werd de groep voor enkele jaren braak achtergelaten om de spontane vegetatie te stimuleren, of werd er onmiddellijk met gelijksoortig plantgoed opgeplant (bedrijfsregeling van 1947).

Het beheer was erop gericht het eikenhooghout te bevorderen en een verjonging te hebben van het bos uit eigen zaad. Hiervoor werden grondbewerkingen uitgevoerd na een goed zaadjaar, zodat op die plaatsen een soort van kwekerij voorhanden was die de boompjes leverde om uitgeplant te worden. De voorkeur voor eik blijkt duidelijk uit een verslag van de commissie voor de bedrijfsvoering (1947). Hierin wordt aangegeven dat eikenzaailingen of eikentelgen die overheerst  worden door beuken of andere ‘minderwaardige’ boomsoorten moeten vrijgesteld worden. Doch er wordt ook vermeld dat op plaatsen waar de beuk thuishoort geen negatieve discriminatie van de beuk doorgevoerd mag worden, op voorwaarde dat hij het eikenhooghout in de aanpalende percelen niet verdrukt of bedreigt.

Om het woekeren van bodemvegetatie tegen te gaan, te zorgen voor een bodemverbetering en om een betere natuurlijke stamreiniging te bekomen, werden culturele soorten: AE, els en esdoorn ingeplant onder de eikentelgen. Daar waar de eiken te dun stonden werden lorken ingeplant. Op die manier werd er sneller een volledig hooghoutbos verkregen en verkreeg men een opbrengstvermeerdering. Ook werd en wordt nog steeds met struiken gewerkt (Haagbeuk, Hazelaar, ...).
Hazelaar (Corylus avellana)
Struiken hebben als voordeel dat ze voor de exploitatie kunnen afgezet worden en na opplanten van het perceel, via uitlopen van de stoven zorgen voor een nieuwe onderetage. Hierdoor wordt de bodemvegetatie ingetoomd, de bodem verbeterd en gezorgd voor een vroegtijdige natuurlijke stamreiniging.
Het hout uit Buggenhoutbos ging steeds voor een goede prijs van de hand. Via de nabijgelegen spoorweg en de Schelde kon  het hout makkelijk afgevoerd worden. Bovendien was de vraag naar eikenhout voor de scheepsbouw, beukenhout voor de meubelmakers en brandhout voor de verwarming groot omdat Buggenhoutbos het enige bos is in de omtrek. Verder werden eveneens inkomsten verkregen via de verpachting van de jacht.
Tijdens de oorlogsjaren deed de omwonende bevolking een beroep op oude gebruiksrechten om de toestemming te verkrijgen bos­bessen en varens te trekken, de stobben uit te doen en eikels en beukennootjes te verzamelen. Op die manier konden ze een aardig centje bijverdienen. Deze oude gebruiksrechten werden oogluikend toegestaan door de staat.
In 1943 kreeg de firma Hertekamp & co toestemming van Waters & bossen om Zegge (Carex) te snijden met de sikkel voor de opvulling van kussens. Hierbij moest wel opgelet worden dat de natuurlijke verjonging niet geschaad werd.


Algemene beschrijving

Beschrijving van de standplaats

Reliëf en hydrografie

Het topografisch oppervlak helt zwak af naar het noorden met een hellingsprocent van 0.73. Het hoogste punt (24m) ligt in het zuidwesten en het laagste (13m) in het noorden. Het westelijke deel is nagenoeg vlak met een matig uitgesproken microreliëf met niveauverschillen van 0.5 tot 1m. In de omgeving van de Hollebeek; de konijnenberg is het reliëf duidelijk meer uitgesproken.
De ontwatering van het westelijk deel gebeurt via een kleine beek, die via Buggenhout naar de Opdorpse beek vloeit. Het oostelijke deel wordt door de Hollebeek en de Bauwbeek ontwaterd die eveneens in de Opdorpse beek uitmonden. De afwatering gebeurt verder via de Klaverbeek, de Puurse beek en de Vliet naar de Rupel.

Bodem

Het Buggenhoutbos ligt in het overgangsgebied tussen de Zandstreek en de Leemstreek, alle gronden zijn goede gronden voor eik, beuk en de voornaamste andere boomsoorten.  De tertiaire afzettingen, die de ondergrond vormen, bestaan uit groengrijze zware klei of klei van Asse uit het Bartoon. De quartaire sedimenten, afgezet tijdens de ijstijden, bedekken over de gehele oppervlakte de tertiaire lagen. Ze bestaan uit zandig tot zandlemig materiaal, waarvan de dikte schommelt tussen 1.50m en 4.50m. Het zijn dus voornamelijk deze quartaire afzettingen die van rechtstreeks belang zijn voor de bodemgesteldheid in het bos. Naarmate het topografisch oppervlak stijgt worden deze sedimenten lemiger. Zeer kenmerkend is het grillige verloop van niveo-fluviatiele laagjes met wisselende dikte (van 1 tot 50 cm), die overal in de ondergrond voorkomen en waarvan de textuur varieert van licht zandleem tot zand.

De bodem in Buggenhoutbos kan opgedeeld worden aan de hand van het textuursymbool, wat resulteert in twee klassen: zandleemgronden (L) voornamelijk in het zuiden en licht-zandleemgronden (P) in het noorden.

  • L: 15 tot 50% zand
  • P: 50 tot 67.5% zand

Al de gronden zijn volledig ontkalkt, de heersende pH schommelt rond de vier voor de bovenste horizonten en neemt veelal toe met de diepte.
Een ander criterium voor het onderscheiden van de verschillende bodemeenheden is de waterhuishouding. Het is voornamelijk deze natuurlijke drainage toestand van de bodem die belangrijk is in Buggenhoutbos omdat hierin de verschillen zitten tussen de standplaatsen.
In Buggenhoutbos komt een tijdelijk opgehouden watertafel, stuwwatertafel, voor. Deze wordt veroorzaakt door de ondoorlatende kleilaag van het Assiaan en begint op een diepte tussen 1.5m en 4.5m. Door de aanwezigheid van de niveofluviatiele zandige lagen in de ondergrond verplaatst het regenwater zich makkelijk naar de depressies, waar dan gronden ontstaan met een tamelijk slechte tot slechte natuurlijke ontwatering. In Buggenhoutbos worden vier draineringsklassen onderscheiden:

  • c: zwak gleyige zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 80 en 125cm  diepte) deze gronden hebben een matige natuurlijke drainering.

  • d: matig gleyige zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 50 en 80 cm diepte)of matig natte licht-zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 40 en 60 cm  diepte) deze gronden hebben een onvoldoende natuurlijke drainering.

  • h: sterk gleyige zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 30 en 50 cm diepte) of natte licht-zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 20 en 40 cm diepte); Deze gronden hebben een tamelijk slechte natuurlijke drainering.

  • i: zeer sterk gleyige zandleemgronden (gleyverschijnselen beginnend tussen 0 en 20 cm diepte). Deze gronden hebben een slechte natuurlijke drainering.

Verklarende noot gvd: "Gley" is het grijze gedeelte van de bovenstaande tekening. Ze is dus het deel van de grond dat verzadigd is met water dat niet weg kan. Gleyverschijnselen zijn verschijnselen in bodems waarvan de vorming samenhangt met periodieke waterverzadiging

Ook aan de hand van de profielontwikkeling kan een onderverdeling gemaakt worden. Zo worden volgende gronden onderscheiden:

  • c: gronden met sterk gevlekte of verbrokkelde textuur B-horizont (gedegradeerde B2t met tonging).
  • c(h): idem als c, variante met ijzerkoncreties
  • g: podzolen (verklarende noot gvd: Podzol zie je rechts op de tekening: Podzol is een bodemtype dat gekenmerkt wordt door, van boven naar onder: een humusrijke laag, een askleurige uitgeloogde laag, een donkere inspoelingslaag waarin ijzer, aluminium en/of organische stof zijn geaccumuleerd en een zandig moedermateriaal.
    © 1988-2000 Microsoft en/of haar leveranciers. Alle rechten voorbehouden.
    )
     

Deze B-horizont ontstaat door de migratie van kleimineralen vanuit de oppervlaktelaag (de A-horizonten) naar het onderliggend materiaal waar ze een klei-aanreikingshorizont vormen. Over bijna heel Buggenhoutbos werd deze horizont gedegradeerd door afbraak van de kleimineralen. Hij vertoont talrijke bleke, zandige vlekken en strepen, geaccentueerd door een roodbruine rand van enkele mm aangerijkt met ijzeroxiden en heeft dus een verbrokkeld uitzicht. Kenmerkende horizonten voor een dergelijke profielontwikkeling zijn:

  • A0:             strooisellaag
  • A1:             sterk humeuze bodem, donkerbruin tot zwart, 10 tot 20cm dik
  • A2:             maximum uitgeloogde horizont, licht geelbruin, 20-40 cm dik
  • B2t:            sterk verbrokkelde textuur B-horizont met polyedrische struktuur, geelbruin tot helbruin met meer dan 20 % zandige vlekken en strepen, 25-45 cm dik
  • B3tx:          verdichte horizont (fragipan) in het benedendeel van de textuur B horizont,  geelbruin tot helbruin, middelmatig ontwikkelde plaatstruktuur
  • C:               moedermateriaal, geelbruin, struktuurloos

Wanneer de degradatie zich verder doorzet ontstaat de prepodzol (c(h)), de ijzeroxiden hebben zich dan geconcentreerd in koncreties.
De podzolen zijn waarschijnlijk het gevolg van het voor langere tijd verdwijnen van het bos op de lichtere gronden (noorden van Buggenhoutbos). Door de inwerking van de zuren afkomstig van de heidevegetatie werden humuscolloïden en ijzeroxiden uit de oppervlaktelaag gespoeld. Deze accumuleerden in het onderliggende materiaal en vormden zo een zwarte humusaanrijkingshorizont (Bh) en een geelrode, meestal verharde ijzeraanrijkingshorizont (Bir).
De A1 en A2 horizonten zijn veelal gemengd en vormen een Ap horizont.

De twee meest voorkomende bodemtypes zijn Lhcz en Ldczo, dit zijn goede gronden voor eik, beuk en de voornaamste andere boomsoorten. De drainage is onvoldoende tot slecht en in bijna het ganse bos wordt een textuur B-horizont aangetroffen.
Kaart 9 geeft een overzicht van de verschillende bodemtypes in Buggenhoutbos.


Beschrijving van het biologisch milieu

Flora

Fytosociologisch behoort het bos tot het Fago-Quercetum convallarietosum (Rogister, Noirfalise) het droog Wintereiken - beukenbos. Delen van het bos kunnen echter ook eigenschappen vertonen van het atlantische eikenmengbos, het Endymio - carpinetum holcetosum. Dit is het minst vruchtbare type van de Endymio - carpinetum gezelschappen en is gevestigd op zandige leemgronden met zandig materiaal in de ondergrond. Het komt dikwijls in aanraking met het Beuken - eikenbos.

Typische kenmerken van het F. Q. convallarietosum zijn:

  • dominantie van Beuk

  • co-dominantie van Wintereik (hoe vochtiger, hoe minder Beuk en hoe meer Zomereik)

  • humus van het moder type

  • voorkomen van Lelietje van dalen

  • voorkomen van Dalkruid

  • voorkomen van Adelaarsvaren.

Deze laatste drie soorten zijn indicatoren voor oude bossen.
Na de tweede wereldoorlog kwam in Buggenhoutbos veel bosbes voor. Deze soort duidt op gedegradeerd Wintereiken - beukenbos. Dit kan verklaard worden door de zware kappingen die plaats hadden tijdens de oorlogsjaren. Nu heeft het bos zich herstelt en komt ook de bosbes nagenoeg niet meer voor.
De belangrijkste soorten die voorkomen in het bos zijn de Wintereik (Quercus petrea) en de Beuk (Fagus sylvatica). Verder komen in het hooghout nog abeel, Amerikaanse eik, berk, Boskers, Douglas, els, es, Gewone esdoorn, Fijnspar, Hemlock, linde, lork, Moeraseik, Walnoot, olm, Paarde kastanje, Valse acassia, Tamme kastanje, Trilpopulier, Veldesdoorn en wilg voor. De struik-etage wordt voornamelijk opgebouwd door Hazelaar (Corylus avellana), Haagbeuk (Carpinus betulus), Lijsterbes (Sorbus aucuparia) en Vuilboom of Spork (Rhamnus frangula).

Onder de eikenbestanden is de kruidlaag goed ontwikkeld en bestaat voornamelijk uit acidofiele soorten. In de beukenbestanden daarentegen is de ontwikkeling van de kruidlaag slecht of zelfs nihil. Op de meest vruchtbare gronden en langs de bosbeken groeit algemeen: Bosbraam (Rubus fruticosus), klimop (Hedera helix), Kleine maagdenpalm (Vinca minor), Gele dovenetel (Galeobdolon luteum), Speenkruid (Ranunculus ficaria), Daslook (Allium ursinum) en Veelbloemige salomonszegel (Poligonatum multiflorum). Op de grens tussen de drogere en de vochtigere delen staat Bosanemoon (Anemone numerosa) en Valse salie (Teucrium scorodonia). De drogere delen worden gekenmerkt door Lelietje van dalen (Convallaria majalis) en Dalkruid (Maianthemum bifolium).
Varens die voorkomen in het gebied zijn: Adelaarsvaren (Pteridium aquilinium), Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina), Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata), Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana) en Dubbelloof (Blechnum spicant).
Enkele paddestoelen die voorkomen in Buggenhoutbos: roodgesteelde fluweelboleet, de grote stinkzwam, de aardappelbovist, de braakrussula, de regenboogrussula, de parelamaniet, de scherpe taailing en de amethistzwam.
Rond de eendeput werd in 1993-1994 een vegetatiestudie gemaakt, waarvan de resultaten in tabel 1 zijn opgenomen.

Eendeput foto Gustaaf Van Gucht

Tabel 1: de voorkomende planten rond de Eendeput

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

familie

 

1

Bitterzoet

 

Solanum dulcamara

 

Solanaceae

2

Bosrank

 

Clematis vitalba

 

Ranunculaceae

3

Echte waterkers

Nasturtium officinale

 

Cruciferae

 

4

Gele lis

 

Iris pseudacorus

 

Iridaceae

 

5

Gele plomp

Nuphar lutea

 

Nymphaeaceae

6

Gele waterkers

Rorippa amphibia

 

Cruciferae

 

7

Gewone bereklauw

Heracleum sphondylium

Umbelliferae

8

Gewone braam

Rubus fruticosus

 

Rosaceae

 

9

Gewone paardebloem

Taraxacum officinale

 

Compositae

10

Gewoon

 

Digitalis purpurea

 

Scrophulariaceae

 

vingerhoedskruid

 

 

 

 

 

11

Grote brandnetel

Urtica dioica

 

Urticaceae

 

12

Grote egelskop

Sparganium erectum

 

Sparganiaceae

13

Grote kattestaart

Lythrum salicaria

 

Lythraceae

 

14

Harig wilgeroosje

Epilobium hirsutum

 

Onagraceae

15

Hondsdraf

 

Glechoma hederacea

 

Labiatae

 

16

Kruipende boterbloem

Ranunculus repens

 

Ranunculaceae

17

Pinksterbloem

Cardamine pratensis

 

Cruciferae

 

18

Pitrus

 

Juncus effusus

 

Juncaceae

 

19

Ridderzuring

Rumex obtusifolius

 

Polygonaceae

 

20

Smeerwortel

 

Symphytum officinale

 

Boraginaceae

 

21

Speerdistel

Cirsium vulgare

 

Compositae

22

Watermunt

Mentha aquatica

 

Labiatae

23

Witte waterlelie

Nymphaea alba

 

Nymphaeaceae

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fauna

De fauna van Buggenhoutbos is vrij uitgebreid. Zoogdieren die algemeen aangetroffen worden zijn het eekhoorntje, de egel, de haas, het konijn, enkele muizensoorten en de muskusrat aan de Eendeput. Ook de bunzing wordt waargenomen. Sinds 1994 is ook de Vos aanwezig in Buggenhoutbos.
Verder komen hier praktisch alle vogels uit onze streken voor. Enkele voorbeelden: buizerd, vlaamse gaai, ekster, pimpelmees, koolmees, winterkoninkje, merel, fazanten, houtsnip, groene specht, bonte specht, boomkruiper, roodborst.
Boomkruiper
In 1989 werd een nachtegaal gehoord aan de boskapel, het zou om een broedgeval gaan. Verder werd dat zelfde jaar een Oeverloper over de Henneput gezien en broedgevallen van de buizerd en Zwarte mees ontdekt. Ook de ijsvogel komt voor rond de Eendeput. Sinds 1994 wordt de Zwarte specht waargenomen. Dit is te danken aan de toename van staand dood hout in het bos en aan de verjongingsgroepen waar de specht op de bodem naar voedsel kan zoeken.
De herpetofauna is eveneens in grote getalen aanwezig. Vermeldenswaardig hierbij is het voorkomen van de in ons land zeldzaam geworden vuursalamander (Salamandra salamandra terestris). In de Hollebeek werden in 2001 op diverse plaatsen larven van  de vuursalamander waargenomen.
Ook de hazelworm wordt regelmatig waargenomen in het bos.

Gustaaf Van Gucht, technicus afdeling Bos en Groen

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan geert.vandamme@meerskant.org.

Laatst bijgewerkt: 01 March 2008