meer over de Boskapel
Start | Omhoog | Inhoud | Zoeken | Lid worden | Steunen | bestuur

Start
Omhoog

 

BOSKAPEL BUGGENHOUTBOS

 

Onderstaande tekst is een beschrijving van de boskapel en haar ontstaan anno 1937. Zoveel als mogelijk origineel weergegeven in het Oud-Nederlands. De tekst werd neergeschreven door de 'Broeders van Affligem'.

 

 Geschiedenis der Boschkapel

Te midden in het Bosch van Buggenhout staat een oude kapel. Honderd meter bezijden den Steenweg Buggenhout - Merchtem, langs den zuidkant is ze gelegen. Het is zo hartelijk stich­tend als de voorbijrijder even de ogen richt naar het heilig­dom, de pet afneemt en een kruisje slaat. Fier is elke Buggenhoutenaar over zijn Boschkapel, en lief heeft hij haar, waarin de moedermaagd vereerd wordt. En wanneer telkenjare op de twee Zondagen en den laatsten Maandag van haar noveen, er mis wordt gelezen, waar een folklorisch feestje aan de kapel tusschen de boomen plaats grijpt, dan is hij daar en getuigt zijn diepe vereeringszucht voor zijn hemelsche Moeder en wanneer het religieuse rinkelen van de bel tijdens de consecratie heilig­heid aankondigt, wanneer jozef en oud den knie buigt in het groote stille bosch, en het torenklokje driemaal klept, dan is zijn hart vol van godsvrucht. Ook kent hij haar geschiedenis.

Een zoo uitgestrekt bosch - hetwelk in de 12e eeuw van den oever der Schelde tot aan de Dendermeerschen bij Ninove zich uitstrekte in een toen nog zeer weinig bewoonde streek, moest voorzeker veel wild bevatten. Geen wonder dus dat de heeren van Buggenhout, wier Jachthuis aan den zoom van 't bosch gebouwd was, hier menigmaal op de vangst van wild uittogen en met magen-en-vrienden uit den omtrek, volop het genoegen smaakten, dat ten dien tijde een der voornaamst vermaken van den ridder en adelstand was.

Op een zulker jachtpartijen in het jaar 1504, den 4en December was ook Jan de Rycke, drossaard van Buggenhout en Grimbergen uitgenodigd. Deze edelman was een der befaamste jagers uit zijn tijd, onverschrokken en dapper in den aanval, kloek en behendig in den afweer. Veel wilde zwijnen, hazen en reebokken had hij wellicht reeds in 't zand doen bijten, want wanneer hij ter jacht uittrok moesten een paar kloeke knapen hem vergezellen om den buit te helpen torschen en huiswaarts te brengen.

In den morgen dus van 4e December, andermaal het bosch ingereden, zag hij plotselings een buitengewoon groot wild zwijn op hem aanstormen? Jan de Rycke plaatst zich dadelijk afwerend gereed. Grimmend schiet het dier toe, de drossaard stoot het wapen vooruit, maar mist doel. Door het geweld van den mislukten stoot het evenwicht verliezende struikelt hij; Scheldevallei Moerzeke-Kastel bonst hem zoo duchtig op het lijf, dat hij achterover stort, en vooraleer den jonker zijn wapen in gereedheid heeft en zijn meester helpen kan is de jager het lichaam opengereten en gedood. Op de noodkreten van den jonker komen andere ridders toegesneld, die het vreeselijk dier bespringen en afmaken. De drossaard werd ter plaatse zelf ter aarde besteld. Zijn weduwe, Jacoba Van Heffene, bouwde op het graf een kleine bidplaats, ter eere van O.L.Vrouw van Zeven Weeën, waar zijn nu en dan in 't gebed troost kwam zoeken. Schilderachtig verdoken in 't oude bosch, gelijk in de eerste eeuwen de altaren der druïeden, verdoken achter dicht struikgewas en beschut en overlommerd door reusachtige boomen, werd de kapel van lieverlede meer en meer bezocht. Jagende ridders en houtkappers, doorreizende vreemdelingen en bewoners van den omtrek gingen er heen, om de Moeder der bedrukten in hun ellenden en behoeften te aanroepen.

Toen de beeldstormerij onze gemeente kwam teekenen met het werk der vernieling, werd ook de kleine kapel uit het bosch niet gespaard en de grafstede van Jan de Rycke onteerd, doch de afbeelding van den Nood Gods, vóór dewelke zoovele honderden geloovigen hun hert hadden uitgestort of hoopvol hun tranen gedroogd, was bijtijds door godvreezende Buggenhoutenaars beveiligd geworden. Het van in den beginne vereerde beeld van den Nood Gods, dat heden nog bestaat, is een in hout gesneden en gansch verguld werk. Het prijkte boven 't tabernakel van het hoogaltaar, en vertoont de bedrukte moeder nederzittende en Jezeus' ontzield lichaam tegen haar schoot houdende. Met de rechterhand ondersteunt zij het hoofd, met de linkerhand den linkerarm van haar Goddelijken Zoon. Een zwaard heeft haar Moederlijk hart doorboord en haar gekroond hoofd slaat nederwaar de bedrukte oogen met bloedstralen besproeid. Zes vliegende engeltjes omringden het beeld in weenende houding.

Dit beeld voor hetwelk duizenden bedevaarders sedert vier eeuwen allerlei troost en zegening zijn komen afsmeeken en hebben bekomen, ontsnapte aan menig vernielingswerk. De beeldstormers der 16e eeuw, onteerden en beroofden de kapel, doch konden het beeld in handen niet krijgen; godvruchtige parochianen hadden het zorgvuldig verborgen.

Op 27 November 1798, werd de kapel door een bende goddeloozen ijselijk verwoest; de booswichten na al de overige sieraden te hebben verbrand, legden te midden der kapel een groot vuur aan en poogden daarin het eerbiedwaardig beeld tot asch te verbranden, doch vruchteloos. Het hout werd zwart van den rook maar vatte geen vuur. Wanhopig wierpen de heiligschenders het wondere beeld in een hoek, waar het na hun vertrek werd opgenomen en in veiligheid gebracht. Gods voorzienigheid waakte over het afbeeldsel zijner bedrukte moeder.

Om den steeds aangroeienden toeloop der bedevaarders was de kapel reeds in de 17de eeuw veel te klein geworden. De edele vrouw Martina van Vaerbeke, wier moeder, Joanna de Rycke, de kleindochter was van bovengemelden Jan de Rycke, verstond zich met Alexander II (1)  prins van Buggenhout, om de bidplaats te vergrooten en te versieren. Al de parochianen wedijverden om daarin mede te werken. De oorspronkelijke kapel liet men tot koor dienen van het herbouwde heiligdom. De werken in 1664 begonnen waren in 1677 voltrokken. Ernestina van Arenberg, echtgenoote van den prins van Buggenhout was in 1663 overleden. Ze jonde al het geld tot het bekostigen van een steenen afbeeldsel van den Nood Gods dat in den voorgevel der nieuwgebouwde kapel zou prijken. Dit beeld werd ten jare 1677 gemakt door den Brusselschen kunstenaar Filip de Backer.

De Fransche heiligschenders die ten jare 1798 het houten beeld poogden te verbranden, trokken het steenen beeld uit de nis boven de ingangsdeur en sloegen het hoofd af, dat ze trachtten door een venster te werpen. Dit hoofd bleef echter tusschen de ijzeren staven steken, en werd ongeschonden met het overige van het beeld ter bewaring weggehaald en op een veilige plaats in den grond gedolven, totdat op 1 Mei 1802 het geëerde beeld in de nis boven de ingangsdeur werd hersteld. Tot groot genoegen der bedevaarders, vóór vele jaren, werden langs de buitenmuren de statiën der VIII weeën in gebakken steen zeer kundig afgebeeld;

Sedert haar bijna vierhonderdjarig bestaan is de godsvrucht der kapelbezoekers steeds aangegroeid. In de zaterdagse Mis in den jaarlijkschen ommegang of boschgaïng van 3n tot 4en Zondag en Maandag na Paschen, bij elke dreigende ziekte of ramp stroomt de bevolking talrijk en vol betrouwen naar de Troosteres der bedrukten, die van in onze boschkapel gedurig over Buggenhout waakt.

De kapel werd in 1885 door Janssens-Lammens uit Gent nogmaals hersteld.

Zij bevat mooie beelden en schilderijen. In het koor ziet men beelden van den H.Petrus, en van St Barbara en aan den ingang twee schilderije: rechts de Hemelvaart - links de Kroning van Maria in den Hemel.

Vóór de communiebank ligt een blauwe zerk op denwelken in de 17e eeuw hetvolgende grafschrift gebeiteld werd.

Jonker Jan de Rycke, seer vroom in 't jagen,
Wiert hier door een wild dier verslagen.
December Anno XV viere.

Godt wil zijn siel ten hem stieren.
R.I.P. Amen.

De oude kapel, thans tot koor dienende is lager van gewelf en niet langer dan 7m50 op een breedte van 5 m. Het schip met 13 m lengte en 7,50 in de breedte. Boven den ingang trof men vroeger een wild zwijn aan, in steen gehouwen, welke afbeelding thans vervangen is door een geschilderd tafereel, voorstellende, de aanbidding der Driekoningen.

Aan den muur van den rechterhoek te beginnen van het altaar der H.Eligius, hangen drie schilderijen, verbeeldende

  • 1E/ Herodes met het Hoofd van St Jan-Baptist
  • 2E/ De verwekking van het dronken kind Libertas door den H.Rombout, omstreeks Mechelen, een goed kunstwerk der 17e eeuw;
  • 3E/ Jezus'lijk op den schoot van Maria nedergelegd door Jozef en Nicodemus.

De linkermuur, beginnende aan het altaar van de H.Rochus is net behangen met drie tafereelen, waarvan het midden op doek, de andere op hout geschilderd zijn. Ze verbeelden

  • 1E/ de Verrijzenis van Lazarus
  • 2E/ het nedergelegde lijk van Christus
  • 3E/ De aanbidding der Driekoningen

Het eerste en laatstgenoemde werk dagteekenen uit de 17e eeuw, en zijn zeer verdienstelijk

De merkwaardigste versiering van de voorplaats bestaat in de half verheven beeldwerken, gekapt in den middelsten moerboog en vertoonende tusschen gekrulde loofwerken, de omstandigheden van den ongelukkigen dood van Jan de Rycke. Men ziet vooreerst den hoornblazer, wiens twee honden vooruit loopen, verder staat een jager, de spies op den schouder. Twee wilde zwijnen loopen in de nabijheid; een tweede jager gaat een hert aanval­len, die zich achter een boom verschuilt. Een adeljonker gevolgd door een hond, houdt bij den toom het gezadelde ros van den ridder, die wat verder besprongen wordt door een wild zwijn, en bij het hoofd gekwetst wordt. Eindelijk schijnt een tweede hoornblazer met bespeurenden hond de zegepraal aan te kondigen, daar een vierde jager rustig nederzit, het wild zwijn houdende op een rechtstaanden staak gespitst. Dit snijwerk dagteekent vermoedelijk uit 1664, en mag een wezenlijk kunststuk geheeten worden.

Buiten onder elk der twee tegenoverstaande vensters treft men de afbeelding aan van de VIII weeën van Maria, door een jongen beeldhouwer der stad Leuven in 15 eeuwschen trant gewrocht. Achter het koor hangt een fraaigesneden Christusbeeld. In het driehoekig bovendeel van den gevel heeft men het jaartal 1664, en hooger onder het houten torentje het in witten hardsteen gekapt wapen van den prins van Buggenhout: een gouden leeuw klimmende in een zwart veld, waarachter de vorstelijk hermelijnmantel zich ontplooit.

 

Dat onze Buggenhoutenaars het gezegende verleden van hun geboorteplaats indachtig blijven.

 (1) Alex II de Bournonwille, kleinzoon van Alex de Bournonville een groot man, opvolger van Ferdinand de Bournonville, zijn vader, die stierf in ballingschap in 1655. Alex II, gewaardeerd krijgsman, stierf in 1690 den 16en Augustus te  Lamp.... Zijn opvolger was Alex Albert de Bournonville.

 

Bron: (gedeeltelijk): geschiedenissen bij de broeders van Affligem.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan geert.vandamme@meerskant.org.

Laatst bijgewerkt: 01 March 2008