regenwormen
Start | Omhoog | Inhoud | Zoeken | Lid worden | Steunen | bestuur

Start
Omhoog

Even voorstellen Lumbricus terrestris L

Lumbricus terrestris, ook gekend onder de naam van grote regenworm, dauwpier, ringworm, aardworm of wurm. Worm of wurm is trouwens beiden goed Nederlands. Er zijn drie types van wormen, de diepgravers, de bodemwoelers en de strooiselwormen.

De diepgravers, waartoe de grote regenworm behoort, maakt diepe verticale gangen tot 2 meter diep, daardoor brengt hij zuurstof en voedsel in de grond. Regenwater dringt hierdoor beter de grond in waarvan planten met een diep wortelgestel profiteren. De grote regenworm kan een lengte van 30 cm bereiken. Hij leeft vooral van rottende bladeren dat hij met de bladtop eerst in zijn gang trekt. ‘s Nachts kruipt hij vaak over de grond, op zoek naar voedsel. Tijdens deze nachtelijke tochten valt hij vaak ten prooi aan zijn natuurlijke vijanden, vooral egels, mollen en spitsmuizen. Ook de vos zou dit hapje niet versmaden. Verder vallen ze ook nog ten prooi aan loopkevers van het genus Carabus, o.a. onze Gouden loopkever (C. auratus).

De voorkant van de grote regenworm is rolrond en spits, de achterkant is iets breder en afgeplat. In het voorste deel bevindt zich een verdikking, het zadel of clitellum genaamd. Het lichaam is opgebouwd uit ringen of segmenten. Elke ring, behalve het zadel en de twee voorste en achterste ringen, zijn bezet met vier paar borstelharen. Deze borstelharen helpen de worm bij de voortbeweging. De mondholte bevindt zich tussen het eerste en tweede segment. In het voorste deel van de worm vindt men de keel-, krop- en spiermaag. Achter de spiermaag bevindt zich het darmkanaal dat tot achteraan loopt. Vooraan liggen een tiental dwarse bloedvaten die fungeren als hartspier, alsook de geslachtsorganen en het zenuwstelsel.

Pieren hebben geen ogen, maar wel lichtgevoelige cellen voor- en achteraan, zij reageren op chemicaliën en temperaturen. Ze hebben smaakcellen maar reageren niet op geluid, wel op trillingen. Wormen ademen door de huid, er is gasuitwisseling door diffusie, dit is het verschijnsel waarbij opgeloste gassen zich begeven van een gebied met hogere concentratie van opgeloste stoffen naar een gebied met een lagere concentratie aan opgeloste stoffen, in dit geval dus lucht. Een pier bezit het vermogen om, als hij een stuk van zijn achterste deel kwijt heeft geraakt, dit via regeneratie terug te laten aangroeien.

Wormen zijn tweeslachtig, maar kunnen zichzelf niet bevruchten er is steeds een partner nodig, de worm is dus een hermafrodiet, net zoals slakken. Tijdens de paring vormt zich ter hoogte van het zadel een slijmband. Na de paring schuift elke worm zijn slijmband af naar voor over zijn lichaam, ondertussen wordt die gevuld met bevruchte eieren. De slijmband sluit zich en vormt een kapsel of cocon. Na enkele weken komen de jonge wormen uit deze cocon gekropen maar bezitten dan nog geen zadel.

De grootste regenworm, de reuzenregenworm, leeft in Noord Australië en haalt een lengte van 3 meter. Hij leeft in gangen met vulkaanvormige uitgangen.

In Vlaanderen leven ongeveer 25 soorten wormen waarvan de grootste ‘slechts’ max. 30 cm groot wordt.
 

Wie de meest gewone soorten die in Vlaanderen voorkomen en die hierna worden vermeld, op naam kan brengen mag zich van mij gerust een ‘pieren-kenner’ noemen.
 

  • Rode regenworm Lumbricus rubellus Hofm. (10-12 cm)
    Leeft in de grond van organische resten van dood blad. Typisch zijn de kronkelige hoopjes uitwerpselen.
  • Bruine regenworm Lumbricus castaneus Sav. (5 cm)
    Kastanjebruin. Heeft, vrijwel in het midden, een lichtgekleurde gordel.
  • Blauwe regenworm Octolasium cyaneum Sav. (10-18 cm)
    Heeft een iriserende parelmoerglans en een rood bloedvat dat als een streep door het abdomen schijnt met een lichaamseinde dat meestal geelachtig is.
  • Roze regenworm Allolobophora rosea Sav. (2,5-8 cm)
    Vrijwel zonder pigment, vleeskleurig tot bloedrood. Rolt zich op bij koude en droogte.
  • Groene regenworm Allolobophora chlorotica Sav. (5-7 cm)
    Variabel van kleur, iets wat stijvere worm, rolt zich bij gevaar vaak ineen.
  • Kleine regenworm Dendrobaena octaedra Sav. (3-4 cm)
    In naaldbos, onder stenen en onder mos.
  • Houtregenworm Dendrobaena rubida Sav. (4-6 cm)
    Leeft in rottende boomstammen en stronken. Kan zich zeer dun maken door zich uit te rekken, kruipt vaak over natte schors.
  • Vissersworm Dendrobaena veneta (+/- 10 cm)
    Wordt verkocht in visserswinkels
  • Mestregenworm Eisena foetida Sav. (8-10 cm)
    Onze gekende compostworm, elk segment heeft een rode, paarse of bruine dwarsstreep. De groeven tussen de segmenten kunnen soms lichter zijn. Met zijn gestreept jasje aan wordt hij ook tijgerworm genoemd. Er zijn rode en oranje soorten bij.
  • Gezwollen regenworm Allolobophora caliginosa Sav. (10-15 cm)
    Meest voorkomende worm in bossen, akkers en tuingrond. Het achterlijf is altijd rolrond, nooit zwak afgeplat. Vaak opvallend leikleurig.
     
  • Vaak komt men ook potwormen of enchytrees tegen. Dit zijn kleine witte wormpjes van 2 ŕ 3 cm met een lange scherpe punt aan kop en staart.


    René Pletinck

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan geert.vandamme@meerskant.org.

Laatst bijgewerkt: 01 March 2008