Uilenwandeling 2006
Start | Omhoog | Inhoud | Zoeken | Lid worden | Steunen | bestuur

Start
Omhoog

Zaterdag 11 februari 2006

Uilenwandeling in Buggenhoutbos

Samenkomst om 20.00 u gasthof Küssnacht, Kasteelstraat 177, 9255 Buggenhout.

De 'uilenwandeling' wordt voorafgegaan door een korte voordracht en/of  diavoorstelling.

 In en rond Buggenhoutbos verblijven verschillende paartjes bosuilen. We schatten het aantal broedparen op zo’n 6 à 7 stuks. Op zaterdag 11 februari gaan we dan ook op zoek naar deze mysterieuze bosbewoners.

De dieren broeden bij voorkeur in holle bomen. Onder andere hiervoor laat de boswachter oude of dode bomen in het bos staan. Dood hout brengt dus leven in het bos. Als ze echt geen boomholte vinden gebruiken bosuilen ook wel eens een oud eksternest of een hoekje in een donker gebouw als nestplaats. Ze maken eigenlijk geen echt nest. Het vrouwtje maakt de nestholte een beetje schoon en de eieren worden op een laagje uitgeplozen braakballen gelegd. In het vroege voorjaar verblijft het vrouwtje de gehele dag op het nest. Men vermoedt dat ze dit doet om te inspecteren of de nestplaats wel veilig genoeg is. Tijdens de nacht verlaat ze het nest en laat zich door het mannetje voederen. Ze roept daarbij voortdurend “wiek”. Op die manier kan ze weten of het mannetje voldoende prooien kan aanbrengen om haar zelf en haar toekomstige jongen te voeden. Tijdens de broedperiode en de eerste dagen dat de eieren uitkippen blijft ze op het nest en kan ze dus niet mee jagen. Hoe meer aanbod van voedsel er is in de periode voor het broeden, hoe meer eieren het wijfje zal leggen.

 

Er worden één tot vijf eieren gelegd. Soms, bij heel weinig voedselaanbod, wordt wel eens een broedseizoen overgeslagen. In zachte winters begint de balts, zeg maar de vrijage, al in januari, maar meestal begint deze in de loop van februari. De bosuil broedt in maart en in april. Het vrouwtje broedt de eieren uit en verlaat het nest alleen om braakballen en ontlasting kwijt te raken Het mannetje brengt dus het voedsel aan. De jongen komen na 28 tot 30 dagen uit het ei. Ze komen elk afzonderlijk, met enkele dagen verschil, uit het ei. De jongen verschillen dus in grootte. Bij weinig voedselaanbod zullen de kleinste kuikens, de zwakste, de hongerdood sterven.  De eerste tien dagen laat het wijfje ze niet alleen. De in eerste instantie blinde jongen worden door het vrouwtje gevoerd met kleine stukjes vlees. Naarmate de kuikens ouder worden kunnen ze grotere stukken prooi, en zelfs hele muizen eten. Dit is wel nodig. Ze hebben de kalk van beentjes en botjes nodig voor de opbouw van hun beenderstelsel. Zodra de jongen iets ouder zijn verlaat het vrouwtje af en toe het nest om mee te jagen. Na vier tot vijf weken verlaten de jongen ook het nest Ze kunnen dan nog niet goed vliegen en zitten voortdurend in de buurt van het nest op takken om eten te bedelen. Ze worden daarom “takkelingen” genoemd. Als ze ongeveer 50 dagen oud zijn beginnen ze korte vluchten te maken. Na twee maanden zijn ze zelf in staat om prooien te vangen. Na één jaar is de bosuil volwassen en kan hij zelf voor nageslacht zorgen.

Hun voedsel bestaat voornamelijk uit muizen die ze met huid en haar opeten. Soms worden ook wel kleine vogels, mollen, ratten, vleermuizen, kikkers, padden en insecten gevangen. Het vrouwtje, dat iets groter is dan het mannetje, vangt ook wel jonge hazen en konijnen. Bij harde wind of hevige regen gaan ze niet op jacht. De uil kan dan zijn prooien niet horen en bijgevolg kan hij ze niet vangen. De meeste muizen blijven dan liever zelf ook binnen.

Door hun nachtelijke levenswijze zijn uilen maar zelden te zien. Men kan de bosuil echter wel dikwijls horen. De dag brengen ze meestal op een vaste plaats door. Ze doen dat bij voorkeur in groenblijvende bomen, naaldbomen of bomen begroeid met veel klimop. Ze zitten dan dicht tegen de stam op een tak. Op deze plaatsen kan men, onder de boom, hun typische braakballen vinden. Soms braken ze ook tijdens de vlucht.

Tijdens de baltstijd roept het mannetje om zijn territorium af te bakenen. Soms roept hij de hele nacht door. Tijdens de jacht is hij eerder stil omdat ze anders hun prooi zouden alarmeren. De uil vliegt vrijwel geruisloos.

Veel vroeger was de uil een gerespecteerde vogel. De Kelten zagen in hem de wijze beschermer en de bewaker van het bos. Bij Grieken en Romeinen was de bosuil een begeleider van de Godin “Pallas”. Hij was het symbool van wijsheid. Later kreeg het dier een negatief imago. Jeroen Bosch vergeleek hem met verlokking, misleiding, zonde, met iets dat het daglicht niet mocht zien en met duistere praktijken. De wijze bosuil werd dan ook een heksenvogel, een domme uil en zijn lieve jongen kennen we nu als domme uilskuikens.

 

François

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan geert.vandamme@meerskant.org.

Laatst bijgewerkt: 01 March 2008